Overpeinzingen op de Pinksterochtend

Afgelopen vrijdag zat ik bij de vice-president van het Landgericht Ingolstadt aan tafel. Binnen twee weken zou duidelijkheid komen over het Nederlandse verzoek middels een Europees Aanhoudingsbevel tot levenslange strafuitvoering in een Duitse cel. Na een halve eeuw gebakkelei zag het er positief uit. Er zou hoger beroep kunnen komen maar voor december was dat wel rond. Twee etages hoger sprak ik met de hoofdofficier van justitie. Bij het Ministerie van Justitie in München was bovendien een parallel moordonderzoek van start gegaan voor zijn aandeel bij de moord op Henk Gorter op 28 oktober 1944 in Westerbork. Een back up voor het geval er een kink in de kabel kwam. Klaas Carel Faber kon zich weer opmaken voor de cel na bijna zestig jaar vrijheid.

Deze ochtend vraag ik me af hoe lang hij de straf zou hebben volgehouden, iemand die zo hield van wandelen en gebakkopen als Carel? Een paar maanden, denk ik. Genoeg, want van mij mocht hij direct doodvallen op het moment dat de celdeur achter hem dichtklapte.

Toen ik gisterochtend onder een stralende Beierse hemel aanbelde bij zijn flat aan de Rossinistrasse deed zijn vrouw ditmaal niet angstvallig dat kleine kijkgaatje open maar de hele zwaar metalen deur. Ik kwam te laat, zei ze. Carel was overleden. Ik was er niet blij mee. Zo ontsnapt de gevreesde Gestapo-man opnieuw. Ditmaal niet via een kolenstortgat van de Bredase Koepelgevangenis maar via een urn. En de nabestaanden van zijn slachtoffers hebben andermaal het nakijken. De rechtsstaat bestaat blijkbaar niet als het aankomt op de bestraffing van oorlogsmisdadigers.

De foto nam ik enkele jaren geleden. Klaas Carel Faber en vrouw op weg naar de bakker.