Martel & Uniform


De laatste uren van dit prachtjaar wil ik u nog even wijzen op twee in mijn ogen belangrijke zaken. Niet allemaal leuk om te weten maar ook op oudejaarsdag ben ik geen Youp.

De eerste: De uitspraak van voorzitter Wim van den Burg van de militaire vakbond AFMP. Hij pleit voor een zichtbaar kledingverschil tussen combattanten en niet-combattanten in Uruzgan. Dit naar aanleiding van het bezoek van een GeenStijl-tv-ploeg aan ‘onze jongens’. GeenStijl mocht alleen mee op voetpatrouille als ze in een uniform kropen. Nog in 2006 woedde een discussie over Nederlandse journalisten die in uniform rondliepen. De media zouden daardoor partij kiezen, wat in strijd is met de journalistieke gedragsregels. Cineast Vik Franke schoot zelfs mee met Nederlandse militairen tijdens een hinderlaag van de Taliban. Maar de teugels worden inmiddels zachtjes gevierd. Recentelijk droeg ook een tv-ploeg van KRO’s Reporter een uniform buiten de poort.

Secretaris Bianca Rootsaert van de Nederlandse Vereniging van Journalisten reageert ambivalent over de verwaterde kledingcode. ‘In uniform geeft de journalist zijn neutraliteit op. Maar er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die het dragen noodzakelijk maken.’ Dat de patrouille plaatsvond in het veiligste stukje Uruzgan, de hoofdstraat van Tarin Kowt, is voor haar geen reden tot afwijzing. ‘Het blijft een afweging van de journalist.’

Vakbondsman Wim van den Burg nam naar mijn idee de enige juiste stelling in. Hij zegt dat een militair een militair is, en een journalist een journalist. ‘Dat is beter voor iedereen’, stelt hij. Want: ‘Een journalist in uniform loopt extra risico. Hij kan door de tegenstander als militair doelwit worden gezien. Militairen kunnen in het heetst van de strijd het overzicht kwijtraken. Ze weten niet of die man in uniform, die daar ergens ligt, wel of geen rugdekking kan geven.’

Zie verder artikel in
De Pers
En Sargasso met reacties

Ook verwijs ik naar het bestaan van de straffeloosheid in Zimbabwe. Karl Wolfe, een blanke Zimbabwaan met dun grijs haar en grote sproeten op zijn armen, werd gemarteld in een kamp ten zuiden van de stad Mutare. ‘Het was een openluchtruimte van 13 bij 16 meter met weinig schaduw omgeven met rollen prikkeldraad. De volgende ochtend hoorde ik de aanklacht tegen mij: diamantenhandel. ‘Erken het maar,’ zeiden mijn ondervragers. Ik kon dat niet, want ik heb er niks mee te maken. Toen legden ze me op de grond. De beulen stonden links en rechts en sloegen met groene takken hard op mijn billen. De takken waren 1.50 meter lang. Als ze braken werd de tak geruild. Voor mij werden drie andere gevangenen geslagen. Na mij misschien wel 20. Het lag er vol met takken.’

Zie het artikel in De Pers

De foto is wel leuk: Een lachende verkoopster van suiker en mango’s buiten de hoofdstad Harare.

Nog één tip: Gooi u maar lekker vol. Ik doe het ook!