Hooge Rode Hoed Journalistiek


Aanstaande zaterdag vindt in De Rode Hoed een symposium plaats onder de noemer ‘Media onder vuur, Welke lessen kunnen de media trekken uit de kwestie-Irak?’ Prominente Leden Van Het Naoorlogs Verzet kijken of ze wel goed hebben gefunctioneerd voor, tijdens en na operatie ‘Iraqi Freedom’ die op 20 maart 2003 begon. Hoewel de enige Nederlandse verslaggever die het land aan de Tigres decennia lang bezoekt, ben ik niet uitgenodigd. Heel begrijpelijk. In mijn boek ‘Onze man in Bagdad’ veeg ik de vloer aan met chefjes die zaterdag huilend toegeven dat ze de oorlog fout hebben gecoverd. Mijn aanwezigheid zou te confronterend zijn. Nu was ik van plan geen aandacht te besteden aan een dergelijke ’exercise in futility’. Maar na zwaar aandringen van mijn collega Frénk van der Linden heb ik ‘Hooge hoed journalistiek’ geschreven, een ‘stukkie’ dat zaterdag onder Onze Helden wordt verspreid. Wees moedig op het uur U en niet achteraf, geef ik ze mee als les.

‘Nog net geen tranen in het gezicht van Wilfried Bossier toen werkgever NRC Handelsblad de Vlaamse freelancer in Bagdad enkele dagen voor het uitbreken van de oorlog op 20 maart 2003 teruggeriep. Wel rode oogjes. Maar dat was van de Johnnie Walker-whisky waarmee hij zijn verdriet wegdronk. In het fameuze Rasheed hotel met uitzicht op de laatste dagen van het Rijk van Saddam Hoessein spraken we over een journalistieke coïtus interruptus, voor het verhaal het land uit. Terugtrekken in tijden van oorlog past in het Nederlands mediabeleid, vertelde ik hem. Machthebbers willen geen ooggetuigen op de plek waar hun bommen vallen. En Nederlandse hoofdredacteuren zijn erg gehoorzaam.
Dus opnieuw werd in de Irak-oorlog het beeld bevestigd van een volgevreten, lui en vooral volgzaam Hollands pershondje. Het beestje toonde weinig moed om een tegendraadse mening te verkondigen en om ter plaatse feiten en opinies te vergaren. Maar zit wel vol vooroordelen; We hebben immers het best getrainde wijsvingertje ter wereld. Een NOS-verslaggever noemde de Irakezen zelfs herhaaldelijk ‘kutlappen’. Dat mocht, hij kreeg er een prijs voor. Het doodschieten door Nederlandse militairen van burgers in de provincie al Muthanna daarentegen werd door de meeste kranten en journaals jarenlang zorgvuldig uit de kolommen geweerd. Want zo zijn we niet. Alleen Amerikanen begaan oorlogsmisdaden in Irak.
Van beterschap lijkt geen sprake. In de volgende oorlog, Afghanistan, laten onze fikkies zich embedded achter een hek drijven terwijl veertig kilometer verder bij de Slag om Chora Nederland zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden. En wat lezen we in de Volkskrant over de inwoners van het platgebombardeerde dorp Qala-e-Ragh?(tussen de 70 en 83 doden door Nederlandse beschietingen op 16 juni 2007) Dat ze niet boos zijn: ‘Als het nog een keer gebeurt, kunnen we het weer repareren’. Ach ja, waarom de commercieel aantrekkelijke ‘wartours’ op het spel zetten voor een futiliteit? Of denken we dat voor gratis all-in niets in natura wordt terugverlangd?
‘Hooge hoed journalisten’ noemde Jean–Louis Pisuisse ten tijde van de Eerste Wereldoorlog de persmuskieten die van verweg een oorlog versloegen. Dat is bijna honderd jaar geleden. Maar nog steeds, op het moment dat ooggetuigen van het wereldnieuws nodig zijn, in Irak en of nu Afghanistan, leunen de Nederlandse media achterover, in commissie. Met tranen in de ogen van zelfgenoegzaamheid. Niet van frustratie.’

De foto is genomen vanaf het Palestine-Hotel ergens eind maart 2003